De geschiedenis van het bier

Het oude Egypte

De biercultuur vindt zijn oorsprong in het oude Mesopotamië, het Tweestromenland tussen Eufraat en Trigis. Daar werd omstreeks 6.000 v C. een stenen plaat gevonden met primitieve afbeeldingen van een brouwproces.

Het volgende spoor van de eerste bierbereidingen brengt ons naar Babylon, waar Koning Hammurabi 2000 jaar voor onze jaartelling bepalingen opstelde met betrekking tot het brouwen en het schenken van bier.

Het bier vond zijn weg van Babylon naar Egypte, waar de farao’s zelf het brouwen onder de knie hadden. Uit de tijd van Ramses III stammen bierbekers die de Beierse bierkruiken ver overtreffen: ze hadden een inhoud van maar liefst 3,5 liter. Aangenomen wordt dat het bier in die tijd een veel lager alcoholgehalte had dan het bier dat wij vandaag drinken.
Bier werd toen trouwens ook gebruikt als offer om de goden gunstig te stemmen.

Bier brouwen was in het Oude Egypte reeds aan zeer strenge regels gebonden. Een brouwer die bier van slechte kwaliteit durfde afleveren, riskeerde in zijn eigen gerstenat verdronken te worden!

Zowel in Babylonië als in Egypte kende men verschillende soorten bier. Om de drank een bepaalde smaak te geven, werden allerlei planten en kruiden toegevoegd. Ook vandaag nog experimenteren brouwers met kruiden.

 

Het Romeinse Rijk

De Romeinen legden zich toe op de productie van wijn en plantten volop wijngaarden aan. Maar in streken waar de druiven omwille van een minder gunstig klimaat geen kans maakten, ging men graan verbouwen waarvan onder andere bier gebrouwen werd.

Bier diende toendertijd om de dorst van de Romeinse legioenen te lessen. Bier kwam overal voor de wijn. Dionysius werd God van de Wijn slechts nadat hij eerst geregeerd had als Sabazios, de archaïsche God van het Bier.

Na de val van het Romeinse Rijk, kreeg de Kerk controle over de landerijen. Geestelijken en monniken gingen zich bezighouden met bierbrouwen. Meer nog, tot in de elfde eeuw werd bierbrouwen een activiteit die enkel door de clerus mocht worden beoefend. De geestelijken schreven de recepten van hun “geestrijke drank” op perkament.

Zoals gezegd was bier brouwen buiten de kloostermuren verboden. Desalniettemin werden hier en daar burgerbrouwerijen opgericht. Toch moeten we nog enkele eeuwen wachten alvorens brouwen gemeengoed wordt van het gewone volk.

 

De Middeleeuwen

In de veertiende en vijftiende eeuw schoten brouwerijen als paddestoelen uit de grond. Bier werd een populaire volksdrank. De brouwerij De Horen in Leuven, de latere brouwerij Artois, werd in die periode opgericht, meer bepaald in 1366.

Ten tijde van de grote epidemieën van pest en cholera werden aan bier geneeskrachtige eigenschappen toegedicht. Niet helemaal onterecht, want in die periode werd het water voor dagelijks gebruik uit rivieren en grachten gehaald en was het verantwoordelijk voor het verspreiden van de ziektekiemen. Bier was dankzij het kookproces bij het brouwen kiemvrij en bood derhalve een veilig alternatief voor water.

Het drinken van bier werd in de Middeleeuwen geenszins als schadelijk ervaren. Integendeel! Binnen de kloostermuren werd volop bier gedronken. In bepaalde kloosters zouden de nonnen meer dan vijf liter bier per dag gedronken hebben of hadden ze althans recht op die hoeveelheid!

Het delen van voedsel kwam veel voor in die tijd en verliep langs een soort sociale ladder. Een broeder van geringe komaf kreeg bijvoorbeeld slechts water en tijdens hoogdagen één liter wijn. Van hogere komaf zijn betekende soms alle dagen wijn, enz. De benifianten gaven dan dikwijls de wijn weg in ruil voor andere gunsten.

In de Middeleeuwen verenigden de brouwers zich in gilden. In de Lage Landen vormden zij machtige groepen die accijnzen betaalden aan de vorst, met als gevolg dat de vorst ook rekening met hen moest houden. In Luik bijvoorbeeld, werden de accijnzen op het bier gebruikt voor het onderhoud van de stad en ook Leuven had zijn welstand aan de brouwerij te danken.

Het Brouwershuis op de Grote Markt in Brussel, waar vandaag de Confederatie der Brouwerijen van België alsook een biermuseum gevestigd zijn, getuigt nog van de vroegere welvaart die de brouwersgilden genoten in de Middeleeuwen. Het brouwen binnen corporatieve gilden leidde tot het gebruik van bepaalde brouwrecepten in bepaalde gebieden. Zo ontstonden de verschillende streekbieren, met elk hun typische smaak. Dat liet eveneens toe dat op bieren die uit andere streken werden ingevoerd, belastingen konden geheven worden.

Bier was zeer populair. Er werd veel meer bier gedronken dan tegenwoordig het geval is.

 

De ontdekking van Louis Pasteur.

De Franse Omwenteling (1792-1794) betekende het einde van de kapitaalkrachtige brouwersgilden. Tegelijkertijd werd menig klooster vernield en daarmee ging ook een groot deel van de brouwersactiviteiten binnen de kloostermuren verloren. Aan de economische chaos waarin België verzeilde, werd een eind gemaakt door Napoleon. Nadien konden lokale brouwerijen hun acitiviteiten langzaam heropstarten.

1880 is een keerpunt in de geschiedenis van het bier. De Franse natuurkundige Louis Pasteur geeft het brouwen van bier een definitieve wending.

De smaak van bier wordt bepaald door de gisting: gistcellen zetten de suikers om in alcohol. Deze gisting gebeurde aanvankelijk spontaan, zodat het onmogelijk was om de smaak vooraf te bepalen. De brouwers konden alleen maar hopen dat het eindproduct in de smaak zou vallen.

Louis Pasteur (1822 – 1895) ontdekte dat er verschillende soorten gistcellen voorkomen en dat niet alle gisten even geschikt zijn voor een goede gisting en bijgevolg een optimale smaak van het bier. Aldus ging men op zoek naar de meest geschikte gistfamilies voor het brouwproces. Door deze steeds voort te kweken, konden brouwers keer op keer dezelfde gisting en dus bier met dezelfde smaak bereiken.

Pasteur ontdekte bovendien dat het mogelijk was dranken te bewaren door ze te verhitten tot 70°C. Bij die temperatuur worden alle aanwezige micro-organismen geïnactiveerd. Deze nieuwe techniek – die wij kennen onder de naam pasteurisatie – maakte het voortaan mogelijk om bier langere tijd te bewaren.

Dankzij de kennis van Pasteur gingen de brouwerijen weer volop floreren. Op het einde van de 19de eeuw telde België maar liefst 3.200 brouwerijen. Brouwers boerden goed en genoten stand aanzien.

Vermits gistend bier op een koele plaats moet bewaard worden, werd enkel in de winter gebrouwen. Koelinstallaties bestonden immers nog niet. Op het einde van de 19de eeuw ging men zelfs ijs vanuit Scandinavië importeren dat in speciale ijskelders werd opgeslagen. Na de uitvinding van de koelmachine door Von Linde in 1877 werd deze ijs-import gelukkig overbodig.

 

De Twintigste Eeuw.

De bloeiende brouwerijnijverheid moest een tweede harde slag verduren tijdens de Eerste Wereldoorlog. Uit gebrek aan personeel en grondstoffen moest de helft van de Belgische brouwerijen sluiten. Na de oorlog werden een aantal brouwerijen heropgestart en gemechaniseerd.

De brouwerijen kregen een nieuwe klap te verwerken tijdens de oorlog van ’40 – ’45. Opnieuw werden grondstoffen schaars, maar dit keer werd beroep gedaan op ‘erzatz’ grondstoffen, weliswaar van mindere kwaliteit.
Niet alleen het bier zelf, ook de flessen stelden problemen. Er konden geen kroonkurken meer vervaardigd worden, en men kwam op de idee beugelflessen te fabriceren. De afsluitrubbers voor deze flessen konden vervaardigd worden uit versleten autobanden. Toen ook in deze materialen tekorten opdoken, werd het verplichte statiegeld ingevoerd. Daardoor konden de bierflessen voortaan gerecupereerd en hergebruikt worden.

Na de Tweede Wereldoorlog bleven in België nog 775 brouwerijen over. Ondertussen zijn vele van de kleine, meestal familiebedrijven, verdwenen op opgekocht door de grotere. Vandaag telt ons land nog een honderdtal brouwerijen.

 

Bron: Bier & Gezondheid